Volkegem
De oudste vermelding van de gemeentenaam als 'Folkengem' dateert van 1110. Het is een typisch Germaans toponiem: 'woning van de lieden van Fulko'. Dit wijst op een vroeg-middeleeuwse nederzetting. Op de kouter van Volkegem, ten noordoosten achter de kerk, werd begin van de jaren '90 door middel van veldprospectie en boringen een verloren gegane (vroeg-)middeleeuwse nederzetting gelokaliseerd. In de vroege middeleeuwen zou Volkegem ook al een eerste bidplaats bezeten hebben. Vermoedelijk werd de Sint-Martinuskerk er al in de 7de eeuw opgericht voor een uitgestrekte moederparochie waarvan later opeenvolgend verschillende parochies werden afgesplitst, namelijk Leupegen (8ste eeuw), Edelare (11de eeuw) en als laatste Pamele (begin 12de eeuw). In 1110 werd het altaar van Volkegem samen met die van de andere parochies geschonken aan de abdij van Ename. Ook administratief en juridisch waren dezelfde parochies aan elkaar gebonden. Volkegem, Edelare en Leupegem ressorteerden onder één vierschaar afhangend van het leenhof van Pamele.
In 1374 is er melding van 'tgoed te Volkeghem', waarschijnlijk te situeren in de omgeving van de kerk en toen eigendom van de familie uter Galeyden, bezitters van de heerlijkheid Volkegem. Later behoorde die heerlijkheid onder meer toe aan de familie de la Kethulle (16de eeuw). Het was ingedeeld bij de kasselrij van het Land van Aalst, na aanhechting in 1047 van een deel van het graafschap Brabant aan Vlaanderen.
De landbouwgemeente Volkegem leverde arbeidskrachten aan de Oudenaardse textielindustrie. De lokale nijverheid beperkte zich voornamelijk tot steenbakkerijen.

