Nederename
In de vroege middeleeuwen was in de nabijheid van de St.-Vedastuskerk - die op een verhevenheid aan een buitenbocht van de oude Scheldebedding staat - het centrum gelegen van een groot domein, of de villa 'Ehinham'. Dit oud domein strekte zich uit over het grondgebied van de latere dorpen Nederename en Ename. De eerste vermelding als 'Ehinham' (Ename) dateert uit het einde van de 9de eeuw. De oudste vermeldingen van Nederename als 'de Inferiore Eiham' (1063-1064 en 1115) refereren al aan de gewijzigde situatie waarbij Ename, met zijn burcht en portus en nadien met zijn abdij, tot het belangrijkste centrum was uitgegroeid en in de 11de en 12de eeuw aangeduid werd als Opper-Ename of 'Iham superior'.
Als oudste kerk van het vroegere domein werd de St.-Vedastuskerk, na de oprichting van twee kerken te Ename, vermeld als moederkerk. Na de aanhechting van de mark Ename bij Vlaanderen in 1047 ressorteerde ook Nederename onder de kasselrij van het land van Aalst. Administratief en gerechtelijk bleef Nederename tot het eind van het Ancien Régime voor de helft afhangen van de heer van Oudenaarde en voorts van de Enaamse Sint-Salvatorabdij, die ook het patronaatschap over de kerk had verworven. De pastoor van Ename bleef lange tijd ook de parochiekerk van Nederename bedienen.

In tegenstelling tot Ename kwam er geen echte dorpskern tot ontwikkeling en bleef de bebouwing sterk beperkt. Aan de rand van het grondgebied lagen een paar grote ontginningshoeven. Het was vooral een dorp van steenbakkers. De visvijvers, ontstaan door leemuitgraving naast de Schelde tussen de Ohiobrug en de kerk, getuigen nog van de steenbakkersactiviteit.

