Stad oudenaarde

Edelare

Edelare

Losse vondsten uit de prehistorie en de Romeinse tijd wijzen op een oude bewoning. De steenweg Oudenaarde-Aalst zou teruggaan tot de Romeinse weg Hofstade-Velzeke-Kortrijk.
De eerste vermeldingen van het dorp vinden we in 1110: Edelar, in 1115: Adelar en opnieuw Edelar in 1177. Dat is een Germaans toponiem, dat verwijst naar bosachtig en moerassig terrein. Het Germaanse toponiem Kerselare refereert eveneens aan een bos. Het maakte deel uit van de heerlijkheid tussen Marke en Ronne van de baronnen van Pamele. Edelare hoorde tot na 1400 bij Volkegem. Vanaf 1505 vormden Leupegem en Edelare één vierschaar met baljuw. In de middeleeuwen was Edelare samen met Leupegem  afhankelijk van de 'moederparochie' Volkegem. In 1110 werden de altaren van Pamele, Edelare, Leupegem en Volkegem aan de abdij van Ename geschonken.
Het gehucht nabij de stadspoort van Oudenaarde, de zogenaamde Bergpoort, ontwikkelde zich in de late middeleeuwen en in de 15de-16de eeuw tot een voorstad, Ter Bailden of Ballien, waar eveneens de vierschaar en een leprozerie gevestigd waren. De lazerij, gesticht eind 12de, begin 13de eeuw, bleef bestaan tot het eerste kwart van de 17de eeuw.

voormalige kapel Kerselare
 
Op Edelareberg, het hoogste punt van Edelare, ontstond rond 1452 een druk bezocht bedevaartsoord, bekend als O.-L.-Vrouw van Kerselare. Vanuit deze plaats werd Oudenaarde in de loop der tijd meermaals belegerd, zoals in 1684 door de Fransen onder leiding van Villeroy. In 1822-1825, onder het Hollands Bewind, werd door de Hollanders een fort gebouwd op de Edelareberg, dat deel uitmaakte van de zogenaamde Wellingtonbarrière, ter verdediging van de Scheldevallei tegen de Fransen. Dit Kezelfort is nog grotendeels bewaard.

OLV van Kerselare